Globale reisplanning

Wij, de familie Keijser, hebben van 2010 tot 2011 met onze catamaran SeaMotions, voor een jaar een ' rondje Atlantic' gevaren. We koesteren onze herinneringen in ons dit digitale "book of memories". Daarna ben ik doorgegaan met het zo nu en dan vastleggen van het wel en wee van ons leven op land.







maandag 31 januari 2011

Le Marin - Martinique

Op zondag (30/1) zeilen we hoog aan de wind zo’n 25 mijl naar de zeer beschutte ankerbaai van Le Marin, Martinique. Van ver zien we al een niet te tellen hoeveelheid masten en dichterbij gekomen, blijken dat er nog meer. We willen hier om functionele redenen 2 nachtjes in de marina: de accu’s even lekker doorladen met 220volt (een soort welness treatment maar dan anders) en de boot met zoet water afspuiten, poetsen, shampooën en nog eens zoet afspuiten (ook een soort welness).

 

Maar…. als we in de baai aankomen, horen we van onze Belgische zeilvrienden, de Echo, dat de (mega-grote) marina vol schijnt te zijn. We laten ons anker dan maar tussen al die boten vallen en liggen vastgehaakt in klei-achtige modder. Na een persoonlijke inspectie via de dinghy in de marina zien wij volop vrije plekken …?! Welnu, we houden voor de zondag voor gezien We borrelen, samen met Erik en Margreet van de Liberty, aan boord van de Echo en hebben het er nog eens over wat nu de beste tactiek is om op maandag toch een plekje aan een steiger te bemachtigen.

 

Op maandagochtend, om half 8 ’s ochtends roept Coos met de VHF (marifoon) de haven op. Binnen luttele seconden is ons al duidelijk dat deze marina met 600 ligplaatsen compleet chaotisch georganiseerd is. De marinameneer (rondvarend in dinghy) weet niet goed wat hij met ons verzoek aan moet en zegt dat hij ons binnen 5 minuten zal oproepen. Je raadt het al: dat gebeurt natuurlijk niet. Ondertussen horen we meerdere boten de marina oproepen en met ons beste Frans verstaan we de verschillende berichtgevingen: “ja, vaar maar naar steiger X/Y/Z”, “nee, het is helemaal vol”, “ probeer het om 11.00 uur nog eens”.  Kortom, er is geen chocola van te maken. Coos stapt vervolgens maar in de dinghy, kijkt waar hij zou willen liggen, vaart naar de marinemeneer en doet een concreet voorstel. En dat vindt die marinameneer allemaal wel best; hij is allang blij dat hij niet meer over ons hoeft na te denken.

 

Als het 09.00 uur is, liggen wij aan de steiger, is de 220volt aangesloten en hangt alles wat maar opgeladen moet worden (van elektrische tandenborstel, portofoon, Nintendo’s, laptop’s, etcetera) in een stopcontact. Tijdens het speelkwartier van school gaan we met z’n allen de boot schoon spuiten met zoet water. De kinderen maken er een compleet waterballet van, Coos gaat met bootshampoo aan de gang en lig ik op mijn knieen met JIF en afwasborstel de zwarte zandkorrels uit het wiebertjesdek te borstelen. Ondertussen nemen we ook nog afscheid van de Echo die richting The Grenadines vertrekt. Als het speelkwartier na ruim anderhalf uur is afgelopen, blinkt de boot weer als een keutel in de maneschijn. Tijd om weer door te gaan met school: spellingsregel Hoofdletters voor Tico en de getallenlijn met stappen van 5 voor Sil.

 

’s Middags doen we her en der rond de marina nog wat kleine boodschapjes. Onze eerste indruk van Martinique: voor de boot kun je (bijna) alles krijgen, maar helaas net niet die shockkoordhaakjes, de marina is ongeorganiseerd en chaotisch, de mensen behoorlijk arrogant (op z’n Frans) en het internet ligt er al meer dan 24 uur uit. Maar als je dan in een middelgrote supermarkt komt, is alles weer goed: zoveel lekkere spulletje, heerlijk!! En de verse baquette en pain au chocola ’s ochtends zijn ook niet te versmaden. Kortom, het is net Frankrijk.

 

 

zaterdag 29 januari 2011

Lekker dagje!

Vandaag, zaterdag, hebben een relaxed dagje in en om Rodney Bay gehad. Na een lekker ontbijtje gaan we naar de “shopping mall” en slagen we in het aanschaffen van nieuwe schoenen voor Coos. Hij heeft zich er lang tegen verzet, maar is -nadat zijn italiaanse leren slippers- in tweeën gebroken zijn, overstag gegaan: hij is nu de trotse drager van de ergonomische en praktische Crocqs, de sjieke variant met een soort lederen look. Tico en Sil hebben elk een nieuw, cool t-shirt uitgekozen. En dus alle mannen zijn weer happy.

Bij de marina lopen we The Happy Bird tegen het lijf. Op het terras en onder het genot van een eenvoudige lunch praten we met elkaar bij.


Aan het eind van de middag gaan we met de dinghy naar Pigeon Island, een stuk land van zo’n 18 hectare met twee hoge, grote rotsen. De naam klopt exact: we zien er volop duiven scharrelen.
Pigeon Island is in de 16e eeuw zeer geliefd bij de piraten: ze houden zich schuil in de beschutte baai en doen vanuit deze hideaway nietsontziend hun overvallen op de passerende handelsschepen.
In de 18e eeuw worden vele zeeslagen tussen de Fransen (Martinique) en de Engelsen (St. Lucia) uitgevochten. Admiraal Rodney zit bovenop “zijn rots” en is bij elke Franse aanval een voorbereid man. Hij heeft aldaar geen zeeslag verloren. Begin 1900 wordt de baai gebruikt als basisstation voor de walvisvangst. Op de kant zijn alle faciliteiten om de gevangen walvissen te “verwerken”.

Tegenwoordig is het een nationaal park waar je de restanten van het Engelse fort kunt bezoeken en via de diverse informatieborden kunt lezen over de geschiedenis.

 

Morgen (zondag) varen we naar een stukje Frankrijk in de Carieb: Martinique. Dat gaat ons weer hele andere dingen brengen, w.o. een Europees gesorteerde hypermarche. Daar kan ik mij nu al op verheugen!

 

PS: foto’s van St. Lucia staan nu ook online!

 

 

 

Marigot Bay & Rodney Bay - St. Lucia

Vanuit Marigot Bay ondernemen we, samen met de Tante Rietje, een tripje over (een deel) van het eiland. Met de luxe airco-taxibus van Moses rijden we langs de belangrijkste bezienswaardigheden van de westkust van St. Lucia. Zo daar is de bananenplantage, uitzicht op de Pitons –de herkenbare hoge puntrotsen van St. Lucia-, de bloementuin buiten Soufriere en de zwavelbronnen. Onderweg zien we de schade die orkaan Tomas afgelopen oktober heeft aangericht; het eiland heeft vooral te lijden gehad van de enorme regenval wat grote aardverschuivingen tot gevolg had. De bananenplantages zijn gedeeltelijk verwoest en minstens de helft van de huidige bananenbomen betreft jonge aanplant; na 7 maanden kunnen van deze nieuwe aanplant de eerste bananen oogsten. Geheel nieuwe infrastructuur wordt gebouwd bij stroompjes die tijdens Tomas verworden waren tot woeste rivieren. Uit een groene berghelling is een grote hap genomen: alle begroeiing weg evenzo als de paar huisjes die onderaan de helling stonden.

 

In de onbegaanbare berggebieden van St. Lucia wordt ook volop marihuana geteeld. Moses, onze chauffeur, weet ons te vertellen dat Amerikaanse helicopters 2x per jaar grote schoonmaak komen houden en vanuit de lucht gif strooien over de marihuanavelden. De marihuanateler wordt echter steeds inventiever; hij teelt op zeer schuine hellingen waardoor de velden vanuit de lucht zeer moeilijk te vinden zijn.

 

Op de weg is duidelijk te merken dat er meerdere cruiseschepen in Castries, de hoofdstad, liggen en hun gasten hebben “losgelaten”: we komen zoveel taxibusjes met hordes lelieblanke, fout-geklede Amerikanen tegen! Voor de lokale souvenirondernemer langs de kant de weg is dit een zegening, want er worden –voor USdollars- volop kettingen, armbandjes, houtgesneden schildpadjes en zo meer gekocht.

 

In 9 jaar tijd is er veel veranderd op St. Lucia: vooruitgang. Het eerste dorpje in St. Lucia’s geschiedenis, Soufriere (vrij vertaald: zwavel in de lucht) was toendertijd een buitengewoon arm vissersdorpje. Wij waren toen de enige zeilboot in de ankerbaai en werden met argusogen bekeken door de lokale bevolking. Inmiddels worden toeristen via land en via zee aangevoerd.
Het restaurant waar we 9 jaar geleden gelunched hebben -met spectaculair uitzicht op de Pitons- is inmiddels een groot, luxe resort geworden (Ladera Resort) waar grote groepen cruiseshiptoeristen vandaag hun middageten eten. Helaas is er geen tafeltje meer voor ons. Na een overheerlijke “aangeklede” hamburger in Soufriere, rijden we naar de zwavelbronnen, een soort drive-in vulkaankrater waar de lucht van rotte eieren je al van een afstand tegemoet waait. Om ons heen rookt de aarde … en even verderop laten we ons in een warm zwavelbad zakken. Hoewel de odeur en de kleur van het water niet echt inspirerend zijn, is het water zalig warm en zacht. We smeren ons in met reinigende klei, laten ons opdrogen in de zon en zien er vervolgens uit alsof we bij een of andere inlandse stam horen. Na geruime tijd poedelen en spartelen, douchen we ons schoon en stappen we weer bij Moses in de bus en rijden we terug naar “huis”.

 

Op vrijdagochtend verlaten we Marigot Bay en motoren we –tegenwind- naar Rodney Bay. Als we in de baai een mooi ankerplekje zoeken, botsen we haast tegen de “Echo” op en vernemen we dat ook de Jakker en de Liberty hier liggen. ’s Avonds gaan we met z’n allen naar de befaamde vrijdagavondstraat-BBQ in Gros Islet. We dompelen ons –met nog wat andere reizigers/toeristen- onder in een lokale happening van bier, BBQ en harde muziek. Een geweldige belevenis.

woensdag 26 januari 2011

De schildpaddenopvang (door Tico)

We gaan ‘s middags een stukje wandelen in Bequia. We willen morgen (22/1) naar een schildpaddenopvang. Maar omdat die dan dicht is, doen we het vandaag. We vragen aan een taxi chauffeur of hij ons wil brengen. Dat doet hij maar al te graag. Hij brengt ons er rustig heen. Nu we er zijn, zien we overal schildpadden. Baby en volwassen. Ze hebben 2 soorten: de Groene en de Karet schildpad. De Karet heet ook wel Hawksbill turtle, hij heet zo vanwege een mond die op de snavel van een havik lijkt. Daarom betekent karet ook havikssnavel.

De mensen van de opvang vinden de schildpadden op het strand als ze net uit het ei zijn gekomen. Als de schildpadden 6 jaar zijn, zijn ze groot genoeg om vrijgelaten te worden. Als ze 25 jaar zijn, kunnen ze eitjes leggen. En na 48 jaar kun je pas zien of het een jongen of een meisje is. De schildpadden kunnen 140 jaar worden!!!!!
De meneer {Brother King zo heet hij} heeft dit opgericht in 1995. Nu is het 2011. Dus het bestaat al 16 jaar. Er is 1 andere meneer, die ook in de opvang werkt. De opvang heeft al 800 schildpadden teruggezet in het water. Deze mensen doen dit, omdat de schildpad met uitsterven bedreigd is.

Een verhaaltje: De moeder van de schildpadden is al weg. Ze heeft ’s nachts een kuil gegraven en daar dropt ze al haar eitjes in. Ze heeft wel 200 eitjes gelegd. Een tijdje later komen de eitjes uit. Als eerst moeten ze van de kuil naar het water kruipen. Voor ons is dat niet zo ver, maar voor de baby’tjes is dat wel heel ver. De baby schildpadjes moeten allerlei gevaren doorstaan om te overleven. De eerste vijand is: “de vogel”. De vogels zien de baby’s als ze naar het water kruipen. De vogels denken dan vast: wat een lekker hapje kruipt daar, laat ik eens gaan ontbijten/lunchen/avondeten. Van de 200 schildpadden halen misschien 10 het water. En eenmaal in het water is nog een gevaar: “de haaien”. Van de 10 schildpadden halen ongeveer 4 het groot worden. De rest wordt door de haaien opgegeten. Dan is er nog een gevaar: “de mens”. Wij schieten ze en wij eten ze.

De baby’s bijten elkaar tijdens het spelen. Natuurlijk niet op het schild, maar op de kop. Er komen dan allerlei kleine sneetjes. Als dat gaat infecteren, is dat niet goed. Er is een man die een desinfecterend gouden zalfje op de kop smeert, zodat het niet gaat infecteren. Dat doet hij met een klein zacht kwastje. Ze geven de baby’s als voer tonijn uit blik. De baby’s horen kwallen te eten, maar omdat ze dat niet kunnen krijgen, krijgen de kleine baby’tjes tonijn uit blik. Wat de groten eten weet ik niet.

Nu moeten we weer terug naar de boot.

bumpy ride

Dinsdagochtend om 09.00 uur gooien we de achterlijnen los en gaan we anker op in Wallilabou Bay, St. Vincent. We varen dicht onder de kust naar de noordelijke punt van het eiland en vergapen ons vanaf het water aan de schoonheid van dit eiland. Het is onbeschrijfelijk hoe ontzettend groen dit eiland is. Alsof er een grote klodder verf op het eiland gevallen is. Alsof er een groene lap stof over het eiland gedrapeerd is. Kortom, groen in het kwadraat. Hoog en verspreid op de hellingen (voormalige lava-stromen) zie je nog kleine huisjes/schuurtjes staan. Er loopt geen weg meer op dit deel van het eiland. Voor die locals des te beter; op deze hellingen telen zij namelijk illegaal grote hoeveelheden marihuana. Het is ons wel een raadsel hoe zij hun hutten bereiken, maar dat het zo goed als onbereikbaar is voor de “sterke arm” (politie) is ons wel duidelijk.

 

Hoe dichter we bij het noorden van St. Vincent komen, hoe woeliger de zee en harder de wind. We kiezen met 2 reven en een puntje grootzeil het ruime sop. Hoge, korte, steile golven en elke half uur een squall. De windmeter wijst constant op 30 – 35 knopen met uitschieters naar 38 knopen. We schieten met 9 – 11 knopen door het water en krijgen bakken zeewater over het dek en de gangboorden, wat even later door een kletterende regenbui weer wordt schoongespoeld. Dit traject is de woeligste trip sinds we uit Nederland vertrokken zijn, pfff.

 

De jongens beginnen de tocht met DVD-tje kijken, maar leggen dit al snel aan de kant als we het zeegat tussen St. Vincent en St. Lucia bereiken. Ze gaan in de horizontale houding meteen dekentje en sluiten de ogen. Na een paar uur komt er weer leven in de kinderen, hetgeen hetzelfde betekent als dat we in rustiger vaarwater zijn aangekomen.

 

We zijn in de lij van St. Lucia en de zee is, hoewel nog behoorlijk hobbelig, veel rustiger. De wind komt –nog meer- recht van voren. Voor de laatste mijlen zetten we motor bij, vullen we de watertanks (watermaker) en gaan we in een rechte lijn naar Marigot Bay. In deze beschutte baai vinden we tussen alle mooringboeien nog een plekje om te ankeren, waarna Coos en ik onszelf trakteren op een warme, zoete douche.

’s Avonds gaan we met de Tante Rietje wat eten aan de kant: een heerlijk stukje vlees met echte franse frietjes. Smullen dus.

maandag 24 januari 2011

Wallilabou Bay - St. Vincent

Op zaterdagochtend (22/1), na wat laatste klusjes en boodschapjes, gaan we anker op, hijsen we het zeil en koersen we aan op St. Vincent. In het zeegat tussen de eilanden staat er weer een forse windkracht 6 met uitschieters naar 7. We varen met dubbel gereefd grootzeil en de fok en schieten met gemiddeld 9 knopen door het water. Als we in de lij van het St. Vincent zijn, valt de weg nagenoeg weg en motoren we de laatste mijl naar ankerbaai. Al buiten de ankerbaai worden we tegemoet gevaren door de beroemde “boatboys”, jongens/mannen die een extra centje willen verdienen door je lijnen aan te pakken bij het aanleggen aan een mooringboei of het naar de kant brengen van een achterlijn. Op enig moment worden we omringd door wel 5 of 6 boatboys. De een op een oude surfplank die onze vuilnis wil meenemen (niet doen, ze stoppen het tussen de rotsen i.p.v. in de vuilnisbak). Anderen in een roeiboot die ons armbandjes en kettingen wil verkopen en weer een ander heeft wat bananen en guave in de aanbieding. Dan nog een makker in een motorbootje die beloofd de vogelnde ochtend vers brood langs te brengen (hij moet nog steeds langskomen met brood…). Wij willen eerst gewoon onze boot veilig “parkeren”. We gaan voor anker met een lijn van achteren naar de kant, betalen de boatboy zijn “loon” (10 EC is gebruikelijk, ook al zeggen ze dat het tegenwoordig 20 EC is) en constateren daarna dat we eigenlijk nog niet ideaal liggen. Na de (late) lunch gaan we opnieuw ankeren en hebben we Tico en Mickey (bemanning Tante Rietje) als boatboys voor de achterlijn naar de kant. En dan liggen we goed en kan ik ontspannen.

 

Wallilabou Bay is beroemd vanwege de filmopnamen van Pirates of the Caribbean, Curse of the Black Pearl. Tico herkent direct van alles: de rots waar de piraten aan opgehangen werden (Rock Arch), de doodskisten, de kanonnen, een stellage waar Jack Sparrow aan slingerde om aan de soldaten te ontkomen. In een schuur hangen foto’s van de opnames, vliegschema’s van de hoofdrolspelers en opname-schema’s. In het Anchorage Restaurant zie je nog bergen kleding die ligt te verstoffen in een houten kist. Een beetje vergane glorie, maar desalniettemin leuk om te zien.

 

St. Vincent is een heel ruig, bergachtig, vulkanisch eiland. Geen witte, maar zwarte stranden dus. De heuvels/bergen zijn groen, groener, groenst. Alsof het hele eiland bedekt is met groene vloerbedekking. We gaan op tour naar de Dark View Falls. Met een taxibusje van Gary, een vriendelijke rastafari, slingeren we langs de kust naar het Noorden. Overal waar we kijken is het adembenemend mooi. Op rechts de ruige, overdadig begroeide berghellingen met op de hoogste, meest onbegaanbare bergwanden witte stipjes waar (illegale) marihuana-plantages zijn. Op links af en toe schitterende verlaten baaien met een paar huisjes en een paar vissersbootjes. We passeren een paar dorpjes met Frans-getinte namen.

De mensen in dit gedeelte van St.Vincent wonen eenvoudig, maar iedereen heeft een dak boven zijn hoofd. Het is zondag en in die kleine plaatsjes zie je de mannen bij elkaar rondhangen (met lokaal bier, een joint en luide muziek) en de vrouwen in prachtige jurken en hoge gehakt naar of van de kerk gaan resp. komen.

 

Met Europees geld wordt getracht de natuurbezienswaardigheden van dit eiland enigszins toegankelijk te maken voor toerisme. Zo ook bij de Dark View Falls; er staat een mooi houten huis waar je je toegangskaartje, wat pinda’s en drinken kunt kopen. Verderop staat nog een houten schuur voor een souvenirshop, maar dit wordt (nog) niet uitgebaat. Er is een eco-bamboebrug gebouwd over de rivier en van daaruit gaat een smal pad naar de waterval. Met behoorlijk wat geweld valt het water zeker 50 meter naar beneden. Als we er langs lopen, realiseer ik me pas hoeveel wind vallend water veroorzaakt, pfff. Het pad gaat behoorlijk steil verder naar de 2e etage. Het laatste stuk klauteren we over de keien en rotsen door de rivier. Ook bij deze 2e etage klettert het water zeker 50 meter naar beneden. Coos en Tico zoeken dapper verkoeling onder dit kletterende water; het is nog niet zo eenvoudig om balancerend op ronde keien staande te blijven onder het geweld van het naar beneden stortende water.

 

Even verderop zien we een waterkrachtcentrale, althans het 1e station. Het water uit de rivier wordt via een zij-arm in een enorme houten(!) buis geleid. Deze buis slingert zich minstens 5km bergafwaarts naar een turbine, waar (het 2e station) de kracht van het stromende water wordt omgezet in energie.

 

Vandaag (24/1) hebben we een rustdag in Wallilabou Bay, althans, een dag in en om de boot. De kinderen doen uitgebreid school en tussendoor zijn ze druk met het opvangen van regenwater. Het regent deze ochtend namelijk zo veel en zo hard dat we vrij eenvoudig het regenwater, dat in stralen van de zonnetent afstroomt, kunnen opvangen. Het is in elk geval genoeg om een handwasje mee te wassen.

 

Vanmiddag hebben we gesnorkeld bij Rock Arch; lila-kleurig waaierkoraal, kerrie-kleurig pijpkoraal, een donkerblauw-paarse moreen met gele stippen, zee-egels en nog veel, veel meer. En nu (17.30 uur lokale tijd) staat Coos al een uur te wachten tot Customs en Immigration verschijnt in het gebouwtje waar ze dagelijks tussen 16.00 en 17.00 uur kantoor houden …??!! Oh, ze komen er net aan; slechts 1,5 uur later.

 

Morgen varen we richting St. Lucia; ook op dit eiland zullen we weer een paar dagen verblijven en tijd inruimen om wat van het binnenland te zien. To be continued aldus.

 

PS: foto’s van onze avonturen op St. Vincent volgen snel!!

vrijdag 21 januari 2011

Azuurblauw paradijs

Na een paar dagen “paradijs” in Salt Whistle Bay gaan we anker op naar het 2 mijl verderop gelegen Tobago Cays, een groep van 4 kleine, onbewoonde eilandjes gelegen achter de bescherming van een groot hoefijzervormig rif (Horseshoe Reef). Qua kleur van het water is alsof we in een openluchtzwembad binnen varen. Alle kleurschakeringen van blauw gaan onder ons door: van heel licht blauw (behoorlijk ondiep water met zandbodem) tot diep donkerblauw (veel dieper water). Om ons heen die kleine eilandjes met parelwitte strandjes en groene begroeiing. Picture perfect!

 

We zijn nog maar net voor anker als we een schildpad zijn kopje boven het water zien uitsteken. WAUW!! Als Tico en ik even later gaan snorkelen, komen we direct een paar schildpadden tegen die rustig “grazen” over de veldjes van kleine wierplantjes. Ze trekken zich niets van ons aan als we rustig boven hen of achter hen aanzwemmen. Sil is ondertussen met de Seaquest mee naar een klein strandje van het eilandje Baradel. Als hij daar gaat snorkelen met Maren, Huib-Jan en Denise (La Luna) komen ook zij verschillende schildpadden tegen. Coos is bezig met hele andere dingen. Het waait namelijk behoorlijk en de omstandigheden (wind en vlak water) zijn ideaal voor een windsurfpoging. Na een wat onwennige start op het “zinkertje” en moeizame overstagmanoeuvres scheert hij uiteindelijk zijn rakjes voor de boot langs. De volgende dag trekt de wind nog wat meer aan en begint het, ondanks dat we achter een groot rif liggen, toch wat “choppy”  te worden. Aan het eind van de middag varen we naar de ingang van het Horseshoe Reef en ankeren we tussen de eilandjes Petit Rameau en Petit Bateau. Qua wind maakt het niet veel uit, het waait ’s nachts zelfs nog een tandje harder ‘s, maar de zee is hier wel ietsje rustiger.

 

De volgende dag gaan we op tijd anker op en varen we naar het nabij gelegen Canouan. Als we de Charlestown Bay binnen varen en het grootzeil strijken, krijgen we een enorme regenbui over ons heen. In een paar minuten zijn we zeiknat en hebben we het zelfs koud.

Hoewel de chartercompany Moorings er een kleine basis heeft en de ankerbaai vol met mooringboeien heeft gelegd, oogt Canouan verder weinig toeristisch. Maar wellicht dat schijn bedriegt, want volgens de pilot is de noordelijke helft van het eiland privé-bezit en wordt hier een luxe resort gerund. Het zuidelijk deel is voor de locale bevolking. Volgens diezelfde pilot heb je in deze ankerbaai bij stevige wind last van valwinden: de wind verzamelt zich boven op de berg en schiet dan als een kanonskogel naar beneden de ankerbaai in. Ik heb me op het ergste (onrustigste) voorbereid, maar wij beleven –gelegen diep in de baai en dichtbij het strand-  een van de rustigste nachten sinds Prickly Bay/Grenada. Als we de volgende ochtend aan de andere Nederlandse boten blij vertellen hoe lekker rustig wij geslapen hebben, horen we van hen hele andere verhalen. Zij hebben een nacht achter de rug met onregelmatige valwinden die vanuit alle richtingen naar beneden rollen en elke boot 360 graden laat ronddraaien achter zijn ankers. Bij de Tantje Rietje wordt ’s avonds zelfs de bijboot ondersteboven geblazen (hoop gedoe voor ze in het donker, want de buitenboordmotor gaat kopje onder en diverse schoenen zinken).

 

En dan maken we ons klaar voor een aan-de-winds tochtje van ruim 20 mijl naar het noordelijker gelegen Bequia. Hoewel aan-de-wind, hebben we een heerlijke zeildag en we speren met 8-9 knopen over het water. In no time bereiken we Admirality Bay en schampen we –net als bij aankomst in Canouan de dag eerder, een squall. Dit keer hebben we alleen te maken met windstoten uit de bui; de windmeter laat een tijdje ruim 30 knopen zien. De bijbehorende regen zit –gelukkig- wat verder op zee.

 

Overigens krijgen we ’s nachts, net als ongeveer alle voorgaande nachten, behoorlijk wat regen over ons heen. Het dek wordt hierdoor wel lekker schoongespoeld en inmiddels kunnen we slapend ramen sluiten en weer open doen.

 

In Bequia (spreek uit “bekwee”) herkennen we nog veel van 9 jaar geleden; het is alleen wat drukker geworden. Met name het aantal chartercatamarans is –in de gehele Carieb- t.o.v. jaren geleden vertienvoudigd. Dit brengt extra alertheid met zich mee als zo’n charterboot wil gaan ankeren…. Door gebrek aan ervaring en inzicht doen ze dit meestal niet zo goed. Al 2x heeft Coos moeten praten als brugman om dergelijke zeilers te overtuigen dat ze veel te dichtbij ons lagen en dat ze, ergens anders, opnieuw moeten gaan ankeren. Ik probeer bij dergelijke ingrepen wijselijk mijn mond te houden, hetgeen bijna alle keren gelukt is.

Enfin, Bequia ….. een plek waar het comfortabel verpozen is. De ankerbaai is goed beschut, het water glad en helder. Op meerdere plekken in de ankerbaai zijn goeie dinghy-docks. Er zijn leuke tentjes aan de kant waar je heerlijke cocktails kunt drinken en/of goeie hamburgers kunt eten. De supermarkten zijn behoorlijk gesorteerd, er is ook aardig wat diversiteit in groenten en fruit. Zo kun je hier veel superzoete mango’s voor weinig geld kopen! En, er zijn meerdere zeilmakers en chandlers (boot-)/gereedschapwinkels.

Na schooltijd werken wij deze dagen een paar “things-to-do annex boodschappenlijstjes” af (bootklusjes, wasserette, diesel tanken, administratie en het reanimeren van een gecrashte SD-kaart vol met foto’s …). En vandaag zijn we met de locale taxi, een pick-up truck met comfortabele bankjes in de achterbak, naar een Schildpadden Opvangcentrum geweest: The Old Hegg Turtle Sanctuary. Orton G. “Brother” King is de Lenie ’t Hart van Bequia als het gaat om het redden en in stand houden van de Hawksbill Turtle, een schildpad met een soort havikssnavel. Hij vertelt ons begeesterd over zijn missie.

 

Morgen (zaterdag 23/1) varen we naar St. Vincent, Wallilabou Bay. Daar gaan we voor anker voor de restanten van de filmset van Pirates of the Carribean en hopen we weer een regenwoud/waterval-hike te gaan doen.

 

To be continued!

 

PS: foto’s volgen zodra we weer een betere internetverbinding hebben ….